“Waar Mondriaan ophoudt, zet ik hem in z’n achteruit”

Do 7 jul 22  | Leestijd: 4 min
29 Schilderij Helmantel29 Schilderij Helmantel

Op de eerste dag van het jaar dat Museum Helmantel was geopend, reisden drie redactieleden af naar het Groningse Westeremden om een bezoek te brengen aan de kunstschilder Henk Helmantel. Nadat we – nog voor de officiële openingstijd – de collectie met belangstelling hadden bekeken, kregen we in de huiskamer van De Weem (een volledig gerenoveerde pastorie waarvan het voorhuis dateert uit de dertiende eeuw) de unieke kans om Henk Helmantel te bevragen over zijn ontwikkeling, visie op kunst en inspiratiebronnen.

U bent uw leven lang al kunstschilder. Wanneer wist u dat u schilder wilde worden?

“Dat wist ik al vanaf mijn tiende. Gezien mijn achtergrond lag het eigenlijk niet echt voor de hand. Ik ben nog net tijdens de oorlog geboren en groeide dus op in de periode van wederopbouw. Cultuur speelde toen niet echt. Je krijgt natuurlijk wel iets mee van de dorpscultuur zoals de zangvereniging en het muziekkorps, maar naar een concert gingen we niet. Voor mijn vijftiende ben ik maar één keer naar een museum geweest, wat natuurlijk heel weinig is.”

Hoe kwam u er dan achter dat u kunstschilder wilde worden?

“Het begint met aanleg: ik had aanleg voor tekenen. Schilderen deed ik niet toen ik jong was, omdat ik geen verf tot mijn beschikking had. Met kleurpotlood tekende ik schilderijen van de grote meesters na.

In 1956 was het 350 jaar geleden dat Rembrandt geboren werd. Dat werd gevierd met een Rembrandtjaar. De NCRV besteedde daar aandacht aan door middel van schoolradio. Wij hadden een radio in het klaslokaal staan en ik weet nog goed dat daar een begeleidend boekje bij zat met reproducties van zijn schilderijen. Dat heb ik verslonden, want het was het enige dat ik had. Later kwamen daar ook kalenderplaten en plaatjes uit tijdschriften bij. Die verzamelde ik allemaal en maakte er kopieën van. Ik heb de Nachtwacht bijvoorbeeld drie keer getekend en ook de Staalmeesters, het Joodse bruidje, schilderijen van Jan Steen en Rubens. Die tekeningen heb ik allemaal nog.”

U ging op uw 16e naar Academie Minerva (een school op het gebied van beeldende vorming). Dat is vrij jong.

“Dat was inderdaad aan de vroege kant. Ik ging eerst naar de mulo, maar dat werd niets. Ik was een hopeloos geval. Ik had wel belangstelling voor allerlei zaken – van geschiedenis en theologie tot archeologie – maar leren lukte niet zo goed. De opgedane kennis kon ik niet reproduceren. Ik had wel in mijn hoofd dat ik kunstschilder wilde worden. Om toegelaten te worden tot Minerva, moest je eigenlijk de mulo afgemaakt hebben, maar ik werd toch toegelaten op grond van talent. Ik moest een toelatingsexamen doen en wat van mijn werk laten zien. Dat gaf veel vertrouwen. Na vier jaar had ik mijn diploma op zak.”

Heeft u daarna eerst nog ander werk gedaan, of bent u direct aan de slag gegaan als kunstschilder?

“Na Minerva ging ik in militaire dienst. Daarna, in 1967, ben ik begonnen als kunstschilder. Ik dacht bij mezelf: ‘ik ga niet gelijk een baan zoeken maar eerst schilderijen maken’. Ik was behoorlijk ondernemend en ging bijvoorbeeld zelf tentoonstellingen organiseren in de buurt. Dat leverde ook wel wat op. Al spoedig kreeg ik hier en daar wat opdrachten en ook de verkoop van vrij werk ging best goed.

Al spoedig kwam ik in contact met iemand uit Groningen die bij de KLM werkte. Die zei tegen mij: jij moet naar Mokum. Hij nam contact op met een galeriehoudster uit Amsterdam die hij goed kende en daar mocht ik wat werk aanbieden. Een aantal schilderijen werd verkocht. Na afloop wilde ik het niet-verkochte werk weer meenemen. Maar tot mijn verbazing wilde de galeriehoudster daar niet van weten. Zij wilde de overgebleven schilderijen alsnog verkopen en dat lukte nog ook. Ik heb dus altijd van de kunst kunnen leven, dat ervaar ik wel als bijzonder.”

Nog even terug naar uw studietijd aan Academie Minerva. U heeft weleens gezegd dat daar weinig plaats was voor het geloof. Hoe was dat voor u?

“Ik ben opgegroeid in een christelijk gezin. Dat zat echt diep en ik deed overal aan mee: kerkgang, jeugdvereniging, christelijk onderwijs. En dan ga je als zestienjarige naar Minerva en realiseer je je dat daar bijna niet geloofd wordt, noch onder de docenten noch onder de leerlingen. Toch heb ik nooit heel sterk aanvechting ervaren. Ik heb het geloof altijd als een kostbaar geschenk ervaren. Mijn houding is nogal strijdbaar, dus ik dacht: ik maak reclame voor het geloof. Er ontsponnen zich gesprekken met leerlingen en docenten, daar was ik erg gedreven in. De boodschap van het evangelie heb ik gekregen om door te vertellen, zo ervaarde ik dat.”

Hoe werd daarop gereageerd?

“Men vond het wel interessant, dat er zo’n eenling tussen zat die daarmee op de proppen kwam. Een gesprek erover was eigenlijk altijd wel mogelijk. Tussen de middag, als het mooi weer was, lunchten we regelmatig buiten op het gras. Dan las ik vaak een stukje uit het Johannes-evangelie en dan kwam er vanzelf een gesprek over wat ik aan het lezen was. Toen ik afzwaaide van Minerva is dat wel opgemerkt, dat ik veel met het geloof bezig was. Ik wilde anderen laten voelen dat het evangelie mij had geraakt.”


Benieuwd naar de rest van het interview? Lees verder op www.sophieonline.nl

 

Recente artikelen

Jeroen de Ridder benoemd tot bestuurslid NWO-domein Sociale en Geesteswetenschappen

Jeroen de Ridder is onlangs benoemd tot nieuw bestuurslid bij het NWO-domein Sociale en Geesteswetenschappen (SGW). Het NWO-domein Sociale en Geesteswetenschappen, dat bestaat sinds 1 januari 2017, stimuleert excellent onderzoek…

Vr 11 nov 22  | Leestijd: 1 min

Kracht ten goede: een filosofie van de tijd

Kracht ten goede, het nieuwste boek van Sander Griffioen, is een intrigerend filosofisch werk dat je meeneemt in een reis door de tijd. Griffioen schrijft dat we niet bang hoeven…

Do 10 nov 22  | Leestijd: 1 min