Protestantse deugdethiek: ouder en actueler dan gedacht

Wo 3 mrt 21  | Leestijd: 6 min
gabriella-clare-marino-Hx8HaI4ERkA-unsplash_nwegabriella-clare-marino-Hx8HaI4ERkA-unsplash_nwe

Deugdethiek is in. Rooms-katholieke theologen hebben er altijd al in geloofd, maar de postmoderne levenskunst sluit er tegenwoordig ook graag bij aan. Pieter Vos schreef met Longing for the Good Life een uitstekende studie over de relatie tussen protestantisme en deugdethiek in verleden en heden. Gert van den Brink bespreekt het boek.

Van Pieter Vos wist ik wel zo ongeveer waarmee hij zich bezig houdt: deugdethiek in de gereformeerde theologie. Wat verwachtte ik van het boek? Ik vermoedde dat Vos zou laten zien wat onder deskundigen van de gereformeerde scholastiek al langer bekend is, namelijk dat de gereformeerde ethiek beslist niet zo deontologisch (plicht-gericht) is als vaak wordt verondersteld door dogmatici en dogmahistorici. Ik hoopte dus op een studie die de plaats van de deugdethiek in de historische theologie zou laten zien.

Tot mijn grote verrassing biedt het boek veel meer dan dat. De centrale stelling van Vos is dat het protestantisme niet buiten de traditie van de deugdethiek staat maar daar midden in, en dat de protestantse theologie bovendien een aantal sterke punten heeft die kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een krachtige deugdethiek in deze tijd. Dat is een gedurfde en ook een omvattende claim. Er is grondige kennis nodig van de filosofiegeschiedenis, kerkgeschiedenis, dogmatiek en ethiek om zo’n bewering te kunnen staven, maar Vos bezit die kennis en onderbouwt zijn claim overtuigend – en dat allemaal in een boek van slechts zo’n 200 bladzijden. In een glashelder betoog van deconstructie, reconstructie en constructie maakt hij waar wat hij belooft.

Rake analyse van de levenskunst

Vos start met drie vragen: wat is het goede, wat behoren wij te doen, en hoe kennen wij het goede? De deugdethiek is adequaat genoeg omschreven als deze vragen als volgt worden beantwoord: het goede bestaat in geluk (eudaemonia, beatitudo), wij handelen moreel goed als wij handelen vanuit deugden, en wij kennen de deugden vanuit het eigene van de menselijke natuur. Volgens deze karakterisering treffen we de deugdethiek niet alleen aan bij Aristoteles, maar ook in de Stoa, bij Augustinus, in de gereformeerde scholastiek van de zeventiende eeuw en zelfs bij Kierkegaard.

Vos geeft in een rake analyse aan waarin de zogeheten levenskunst (vertegenwoordigd door Foucault, Schmidt, Dohmen) en de deugdethiek overeenstemmen en waarin ze verschillen. Je zou de levenskunst als de postmoderne variant van de deugdethiek kunnen beschouwen. Belangrijke verschillen zijn dat de levenskunst het goede niet als een moreel maar als een esthetisch begrip opvat, en dat er geen objectief ijkpunt ligt in de menselijke natuur; in plaats daarvan wordt het goede als een individuele en willekeurige keuze opgevat. De levenskunst gaat dan ook teveel uit van de maakbaarheid van het menselijke leven, en verwaarloost het belang van the common good, aldus Vos.

Gaf de Reformatie de deugdethiek prijs?

Om zijn centrale claim te kunnen onderbouwen, heeft Vos nogal wat werk te verzetten. Hij begint met wat hij deconstructie noemt. Van diverse zijden klinkt de bewering dat de deugdethiek bij de Reformatie is prijsgegeven. Volgens Alasdair MacIntyre en Brad Gregory heeft dit desastreuze gevolgen gehad voor de plaats van de ethiek in de Westerse samenleving. Ook vanuit het neo-protestantisme klinkt dezelfde gedachte dat de deugdethiek geen plaats heeft in het protestantisme. Vos gaat dan in op de visie van Nicholas Wolterstorff die betoogt dat reeds Augustinus afscheid heeft genomen van de deugdethiek. De auteur laat zien dat dit onjuist is; er is wel degelijk sprake van een deugd-ethische benadering bij Augustinus, ook al is deze anders dan bij Aristoteles.

Vanwege mijn eigen onderzoeksgebied was ik vooral benieuwd naar het hoofdstuk over de ethiek in de gereformeerde orthodoxie van de zestiende en de zeventiende eeuw, de zogeheten gereformeerde scholastiek. Dit hoofdstuk behoort tot wat Vos ‘reconstructie’ noemt. Vos geeft een uitvoerige opsomming van vele boeken uit die tijd die aansluiten bij Aristoteles’ Ethica Nicomachea. Ondanks de felle kritiek van Luther op Aristoteles is deze filosoof feitelijk nooit weg geweest uit het universitaire curriculum, ook niet bij de universiteit van Wittenberg. In een boeiende uiteenzetting laat Vos zien op welke verschillende manieren theologen omgingen met de vraag hoe de deugdethiek zich verhoudt tot de gave van de wedergeboorte. Philippus Melanchthon bijvoorbeeld, de directe collega en vriend van Luther aan de universiteit van Wittenberg, stelt ethiek gelijk aan politiek, en zegt dus dat de deugdethiek zich beperkt tot het maatschappelijke leven. De ethiek behoort bij de Wet, niet bij het Evangelie. Daarentegen legt William Ames, een uit Engeland afkomstige puritein die professor was in Franeker, een nauwe verbinding tussen het politieke, ethische en geestelijke goed – die kunnen niet van elkaar worden gescheiden.

Protestantse deugdethiek

De constructie is de derde taak die Vos zich in dit boek heeft gesteld. Hij is ervan overtuigd dat de protestantse deugdethiek niet slechts een variant is in het veelkleurige verschijnsel van de deugdethiek, maar – veel meer dan dat alleen – ook belangrijke bijdragen kan leveren aan het ontwikkelen van een levensvatbare deugdethiek in deze tijd. Twee bijdragen springen er voor mij uit. Allereerst verdisconteert de protestantse theologie de blijvende zondigheid van de mens. In plaats van een minpunt is dit voor de deugdethiek een pluspunt, zegt Vos. Het helpt ons om een realistisch beeld te vormen van de mogelijkheden en beperkingen van de mens, en voorkomt teleurstellingen omdat we al te hoge verwachtingen zouden hebben van wat we aan geluk in dit leven menen te kunnen bereiken. De tweede bijdrage ligt in de functie van de wet. De wet biedt een extern referentiepunt om de morele kwaliteit van concrete sociale praktijken te beoordelen. Als sociale praktijken alleen maar worden beoordeeld aan de hand van interne referenties, is de deugdethiek nauwelijks of niet in staat om waar nodig maatschappijkritisch te zijn. De protestantse nadruk op de wet (Vos betoogt dit vooral aan de hand van Calvijn) biedt hier een waardevolle aanvulling, omdat het protestantisme zo ook maatschappij-veranderend kan zijn.

Vos adstrueert deze pluspunten aan de hand van een vergelijking met de levenskunst. Enkele theologen (onder anderen Frits de Lange) die de levenskunst aanvaarden, komen niet veel verder dan dat zij daaraan een aantal theologische aanduidingen toevoegen: de vrijheid van de mens om zijn eigen leven te bepalen is een van God gegeven vrijheid, we leven onze levenskunst in afhankelijkheid van God, enzovoorts. Maar is de levenskunst wel zo gemakkelijk te combineren met het christelijk geloof? En is de bijdrage van het christelijk geloof niet veel groter dan alleen het aanleveren van een paar stikkers die op een als zodanig radicaal niet-religieus fenomeen worden geplakt? In de stroming van de levenskunst wordt het christelijk geloof immers categorisch afgewezen als een begaanbare vorm van zingeving. Volgens Vos is een veel grondiger analyse wenselijk en mogelijk. Hij laat zien dat het protestantisme de waardevolle punten van de levenskunst ook in zich heeft, en bovendien robuuster en krachtiger bestand is tegen de zwakten die de levenskunst kenmerken.

Wensen

Laat ik tenslotte twee wensen uitspreken. Ik zou graag hebben gezien dat de auteur meer aandacht had gegeven aan Luthers relatie tot de deugdethiek. Luthers afkeer van Aristoteles is spreekwoordelijk, en ik denk dat de algemeen gangbare gedachte dat het protestantisme en de deugdethiek niet samengaan, teruggaat op Luther. Hoe denkt Vos over Luthers bezwaren tegen Aristoteles? Is de latere protestantse traditie hier ontrouw aan Luther geweest?

Mijn tweede wens is dat er ook een Nederlandse versie van dit boek verschijnt, eventueel in een gepopulariseerde vorm. Dit thema is immers geen zaak van academisch debat alleen, maar een onderwerp dat een vergaande invloed heeft op het leven van elke gelovige en daarom beschikbaar moet zijn voor alle protestantse voorgangers in Nederland.

Dr. Gert van den Brink schreef deze recensie voor Sophie. Hij is wetenschappelijk medewerker aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.

Pieter Vos
Longing for the Good Life: Virtue Ethics after Protestantism
T&T Clark 2020, 224 pagina’s

Recente artikelen

“Hoe zijn we mens naar Gods bedoeling?”

In oktober 2021 heeft Sander Luitwieler zijn werk neergelegd vanwege langdurige vermoeidheidsklachten. Inmiddels is hij tot het besluit gekomen dat hij terugtreedt als directeur van Stichting voor Christelijke Filosofie en…

Wo 4 mei 22  | Leestijd: 4 min

“Beperk je filosofische horizon niet tot Descartes en wat daarna komt”

Rudi te Velde (1957) is filosoof onder de theologen. Hij doceert wijsbegeerte aan de faculteit katholieke theologie van de Universiteit van Tilburg en werd enkele jaren geleden benoemd tot bijzonder…

Wo 4 mei 22  | Leestijd: 5 min